HOME EXHIBITIONS COMMISSIONS

  >>> TEXT



Dicht op de huid

Door Aernout Hagen

Eveline Mooibroek (Zürich, 1970) is al lang gefascineerd door het (menselijk) lichaam. In haar werk, gebruikmakend van verschillende media, heeft zij met name de kwetsbaarheid en de imperfectie van het menselijk lichaam uit laten komen. Dit deed zij door echte, onopgesmukte lichamen uitvergroot te plaatsen tegenover de kunstmatigheid van – bijvoorbeeld – groteske, plastic poppenlichamen met machinale haarinplant, en indirect ook tegenover de schijnbare perfectie van fotomodellen die gewoonlijk op billboards verschijnen.

In haar foto's ging zij steeds verder inzoomen op delen van lichamen, zoals armen, benen, ogen, oksels en vooral ook: tepels met grote, krullende haren er omheen. De uitvergrotingen van zulke opnamen gingen er steeds meer uitzien als vreemde landschappen, zoals bleke heuvels of woelig water waaruit enkele spichtige rietstengels steken, omkrullend in de wind. Maar beeld en materiaal gingen langzamerhand verder uit elkaar staan. Het natuurlijke, grillige en ongepolijste van het beeld werd afgedrukt op fotopapier dat doorgaans afgemeten, glad en koud aanvoelt. Fotopapier mist het tactiele van een echte huid, de warmte, de haartjes, bultjes, etc. Het is ook geen olieverfschilderij, waarbij je bij de onregelmatige verfhuid nog aan de menselijke huid zou kunnen denken. Bovendien krijgen foto’s van lichaamsdelen al gauw het uiterlijk van een objectief resultaat van een wetenschappelijk onderzoek, een beetje als de opnames die een dokter in een ziekenhuis gebruikt om de kwaal te ontdekken. Het lichaam wordt zo gereduceerd tot object.

Fotoproject 'Beyond Photography'

Om het unieke van elk stukje lichaam te benadrukken, besloot Eveline Mooibroek de afgedrukte foto’s te gaan bewerken. Zij maakte gaten in het papier, als poriën in een huid. Vervolgens maakte zij verbindingen met naald en draad. Als eerste koos zij de opnames van tepels en haren, waarin zij met draad de haren ging imiteren, als een driedimensionale uitvergroting van de werkelijkheid. Vervolgens koos zij ook andere opnames van andere lichaamsdelen. De kleur van de draad kwam overeen met de gekozen lichaamsdelen, zoals rood voor aderen en lichtgeel voor de zachte haartjes op een wang.

Onregelmatigheden werden niet weggewerkt, maar juist benadrukt, zoals moedervlekken, een vuurrode ophoping van adertjes, extra beharing en littekens. Daarna ging zij verder door hele patronen toe te voegen. Dat waren geen van tevoren overdachte patronen, zoals bijvoorbeeld bij tatoeages of bij schema’s van energiebanen in de acupunctuur. Het waren de zichtbare sporen van een intuïtief aftasten van de lichaamsrondingen. Zo ontstonden open, uitwaaierende patronen die lijken op sterren, bloemen of kristallen, verspreid over de bolling van een buik, arm of been. Ook overgangen tussen lichaamsdelen, zoals die tussen een dijbeen en een buik of tussen een arm en een romp werden benadrukt door een drukke opeenhoping van draden.

Bij het kijken ernaar is het direct duidelijk dat de gaten en draden niet machinaal, met een naaimachine, zijn aangebracht. Het lichaam wordt niet onderworpen, zoals met de ruw gestanste haarinplant bij de plastic poppen. De contouren van het lichaam bepalen de onregelmatige afstanden tussen de gaten en de lengte van de stukjes draad. Zo bewoog het werk zich steedsverder af van de onpersoonlijke, klinische blik op het menselijk lichaam. De middelen, naald en draad, lijken op die van een esthetisch chirurg die alles wat afwijkt kan aanpassen aan de heersende norm. Maar Eveline Mooibroek gebruikt die middelen juist om precies het tegengestelde te bereiken: individuele afwijkingen worden benadrukt, onderstreept en misschien daardoor ook van harte bewonderd. De sporen van de bewonderende blik van de kunstenaar zijn uiteindelijk voor iedereen zichtbaar en tastbaar achtergebleven.

In een volgende fase is Eveline Mooibroek haar foto’s ook met verf gaan bewerken. Zij gebruikte daarvoor vloeibare acrylverf met een grote mate van viscositeit. Uitgangspunt waren de moedervlekken die zij op de door haar gefotografeerde lichamen tegenkwam. In plaats van ze weg te werken of te camoufleren ging zij de vlekken juist benadrukken. Dat deed ze met dikke druppels rode of roodbruine verf die ze voorzichtig uit flesjes liet vallen. Het werden er steeds meer en zo vormden zich patronen van stippen, kleine en grote, over alle lichaamsdelen.

Terwijl het schoonheidsideaal van de esthetisch chirurg voorschrijft om elke afwijking van de norm te verwijderen of op zijn minst te camoufleren, volgde Eveline Mooibroek opnieuw een tegengestelde richting. Het lijkt erop dat zij op deze manier onvolkomenheden juist heeft willen uitvergroten en vermenigvuldigen. Gezien de hoeveelheid afwijkingen, heeft verwijderen geen zin meer. Daar is geen beginnen meer aan. Net als de draadpatronen overwoekeren de stippen het lichaam. Zelfs zo sterk, dat hun patronen op de voorgrond treden, als een opvallende bekroning met glanzende sieraden. Hun toevoeging wordt een ode aan het lichaam met al zijn geweldige onvolkomenheden en kwetsbaarheden.




Bezoek op het atelier

door Riet Schennink

In het atelier van Eveline Mooibroek zie ik een rij ingelijste foto's op de lange ateliermuur hangen, die in eerste instantie geen inhoudelijke samenhang vertonen. Het blijkt een kwalitatieve selectie van een groot aantal foto's te zijn, die de kunstenares heeft gemaakt. We zien op de foto’s dingen, mensen, lichaamsdelen van mensen en dieren die autonoom als nieuw beeld verschijnen. In elke foto is het levende bevroren en stilgezet op een vervreemdende manier. We weten niet meteen wat we zien.

Mooibroek blijkt ook in haar andere werk, installaties, grote foto's, schilderijen en soms ook tekstwerken en geluidsinstallaties geïntrigeerd door het stilleggen van het leven. We zien stillevens van dieren, vlinders, planten, mensen, lichaamsdelen van mensen en dieren, speelgoed en vlees.  Het transformeren en manipuleren van verschijningsvormen van 'het natuurlijke' is vanaf het begin van haar artistieke loopbaan op verschillende wijzen aanwezig in haar werk.

In gesprek met haar noemt ze twee oudere werken exemplarisch voor haar inhoudelijke ideeën en werkwijze. De installatie 'Vleesteddies' uit 1995 en een fotowerk 'Bloemen, kippen en poten' (90 x 60 cm.) uit 1996 laten volgens haar het duidelijkst zien waar het haar in haar werk omgaat. Mooibroek kreeg in die tijd oog voor de totale kunstmatigheid van onze leefwereld. "De beer, eigenlijk een gevaarlijk en groot dier, wordt getransformeerd tot een zachte troostende knuffel voor kinderen”, zegt ze sprekend over haar werk 'Vleesteddies'. Mooibroek woonde in New York en werd dagelijks geconfronteerd met artificiële subwerelden in onze directe leefomgeving. Het werk 'Vleesteddies' en ook andere werken gaan daarop in en bieden ons een confronterende en provocerende vermenging van deze doorgaans gescheiden subwerelden. In deze tijdelijke installatie, die ik alleen ken van de foto’s (hierboven) zien we 'knuffelbeertjes' gemaakt van lappenvlees, ze zitten eenzaam verspreid op een roze vloer van een afgesloten ruimte. Ik stel me voor, hoe je bij het betreden van de ruimte overvallen wordt door een zoete geur van bederf, vermengd met de negatieve sensatie van een verstoord kinderparadijs.

We leven in een wereld waar de nepnatuur moeiteloos geconsumeerd wordt als echter dan 'de natuur' zelf. De simulatie van de natuur is langzamerhand reëler dan de werkelijke natuur. Op de foto's van deze installatie zie je hoe de kunstenaar de formele verschijningsvorm van een speelgoedbeertje simuleert. Maar de simulatie houdt niet lang stand, al snel stort het beeld letterlijk in en blijft er alleen maar een vormeloos hoopje vlees over. Ook de zintuiglijke ervaring van de geur of later in het proces de stank  ondermijnen een paradijselijke ervaring. In een wereld die met schijn speelt, worden onze zinnen op scherp gezet en de stank van rottend vlees is zo indringend dat ze onmogelijk de formele schijn van speelgoedbeertje kan handhaven. Mooibroek verstoort in haar werk de geaccepteerde werking van de simulacra's en schijnwerkelijkheden uit onze consumptie maatschappij op een radicale wijze.

   

In het werk 'Bloemen, kippen en poten' wordt ons een samenkomst van leven en dood getoond. Gladiolen, dode kippen naakt en geplukt  op een 'mooie' manier gerangschikt en geëtaleerd voor het oog van de camera. In dit  fotowerk zien we een duidelijke verwijzing naar de vanitas symboliek uit de zeventiende eeuwse schilderskunst waarin doodshoofden, zandlopers en verwelkte bloemen verwijzen naar onze vergankelijkheid. Toch is dit werk meer dan alleen maar een knipoog naar de vanitas symboliek. Hier in dit stilleven (als foto) wordt de romantische natuur als een advertentie voor de consumptiewaar weergegeven.

          

Ook in andere meer recente werken wordt met vlees als materiaal gewerkt. In de installatie 'Cold cuts carpets' uit 2008 en de fotowerken 'Jagers op weg naar huis 1 en 2' (1998) wordt er vlees gebruikt. Er is ook in al deze werken sprake van een vreemde unheimische samenkomst van werelden. Lautréamonts omschrijving van een surreële schoonheid als ‘de toevallige samenkomst van een paraplu en een naaimachine op een operatietafel’ is hier van toepassing. In de werken van Mooibroek gaat het om een onverwacht en vreemd samenkomen van dat wat ons vertrouwd is, maar deze coïncidentie is niet toevallig, maar is juist geënsceneerd. Deze vreemde ontmoetingen van gewone alledaagse zaken tonen ons hun ongewone en duistere kanten. De  speelgoed jagers met geweren in een gehakt landschap is zo'n unheimische ontmoeting. Deze geënsceneerde ontmoeting creëert een surreële verwarring over wat we goed of slecht, onschuldig of schuldig, mooi of lelijk vinden.

           

In bijna alle werken van Mooibroek wordt vaak zowel letterlijk als figuurlijk geappelleerd aan de goede of slechte smaak. De smaak komt op een letterlijke manier in onze mond tot stand. Het primaire oordeel van wat goed, slecht en mooi of lelijk is  vindt in de mond plaats. Het  lijfelijke of mentale voedsel dat  we consumeren en niet  verdragen is een terugkerend aspect  in het werk van Mooibroek. We  verdragen het niet, het is afstotelijk en we walgen ervan. Het is een botsing  tussen, dat wat we genieten en dat wat elk genot onmogelijk maakt, datgene dat we letterlijk afstoten en niet tot ons kunnen nemen, niet kunnen genieten en het liefst ook niet zien.

Kijkend naar een aantal schilderijen zie ik op een subtiele wijze dezelfde botsing plaats vinden, maar op een of andere wijze dringt  dit veel langzamer en in eerste instantie minder heftig tot je door.

Ik zie op een witte of lichte achtergrond een hoopje vlinders. Zijn ze dood? Ik denk het wel.

Maar ze verdwijnen onder een kliederige  verfmassa.  Ze worden tot materie of zijn het gevallen herfstblaadjes? We zien de vlinders perfect en met een fijne penseel geschilderd, levensecht in hun laatste doodsstrijd zoals  je  ze soms op de keukentafel ziet vallen, maar nooit zijn dat er zoveel als we hier op een hoop geveegd zien. De vlinder is een clichésymbool voor vergankelijkheid, maar in deze reeks ‘vlinderschilderijen’ wordt  vergankelijkheid  op een onverwachte wijze gekoppeld aan de verf als kliederige of druipende materie. We ontwaren pas in tweede instantie een ander, interessant en subtiel perspectief op de schilderkunst. De bijbelse zinsnede "alles is  stof en zal tot stof wederkeren" wordt hier picturaal ingezet en geeft ook commentaar op het onderscheid  fijnschilderkunst en materieschilderkunst. Hoe illusionistisch echt een vlinder ook geschilderd wordt ze is gemaakt uit de materie verf.

Terugkomend op mijn eerste ervaring in het atelier van Mooibroek, je weet niet wat je ziet!

Het werk van Mooibroek, noopt steeds tot een visuele reflectie over onze waarneming, over de zintuigen die met en tegen elkaar werken en over de schijn en de werkelijkheid van onze beelden.

Riet Schennink is filosoof en woont en werkt in Amsterdam.

December 2012