Bezoek op het atelier

door Riet Schennink

                   

In het atelier van Eveline Mooibroek zie ik een rij ingelijste foto's op de lange ateliermuur hangen, die in eerste instantie geen inhoudelijke samenhang vertonen. Het blijkt een kwalitatieve selectie van een groot aantal foto's te zijn, die de kunstenares heeft gemaakt. We zien op de foto’s dingen, mensen, lichaamsdelen van mensen en dieren die autonoom als nieuw beeld verschijnen. In elke foto is het levende bevroren en stilgezet op een vervreemdende manier. We weten niet meteen wat we zien.

Mooibroek blijkt ook in haar andere werk, installaties, grote foto's, schilderijen en soms ook tekstwerken en geluidsinstallaties geïntrigeerd door het stilleggen van het leven. We zien stillevens van dieren, vlinders, planten, mensen, lichaamsdelen van mensen en dieren, speelgoed en vlees.  Het transformeren en manipuleren van verschijningsvormen van 'het natuurlijke' is vanaf het begin van haar artistieke loopbaan op verschillende wijzen aanwezig in haar werk.

In gesprek met haar noemt ze twee oudere werken exemplarisch voor haar inhoudelijke ideeën en werkwijze. De installatie 'Vleesteddies' uit 1995 en een fotowerk 'Bloemen, kippen en poten' (90 x 60 cm.) uit 1996 laten volgens haar het duidelijkst zien waar het haar in haar werk omgaat. Mooibroek kreeg in die tijd oog voor de totale kunstmatigheid van onze leefwereld. "De beer, eigenlijk een gevaarlijk en groot dier, wordt getransformeerd tot een zachte troostende knuffel voor kinderen”, zegt ze sprekend over haar werk 'Vleesteddies'. Mooibroek woonde in New York en werd dagelijks geconfronteerd met artificiële subwerelden in onze directe leefomgeving. Het werk 'Vleesteddies' en ook andere werken gaan daarop in en bieden ons een confronterende en provocerende vermenging van deze doorgaans gescheiden subwerelden. In deze tijdelijke installatie, die ik alleen ken van de foto’s (hierboven) zien we 'knuffelbeertjes' gemaakt van lappenvlees, ze zitten eenzaam verspreid op een roze vloer van een afgesloten ruimte. Ik stel me voor, hoe je bij het betreden van de ruimte overvallen wordt door een zoete geur van bederf, vermengd met de negatieve sensatie van een verstoord kinderparadijs.

We leven in een wereld waar de nepnatuur moeiteloos geconsumeerd wordt als echter dan 'de natuur' zelf. De simulatie van de natuur is langzamerhand reëler dan de werkelijke natuur. Op de foto's van deze installatie zie je hoe de kunstenaar de formele verschijningsvorm van een speelgoedbeertje simuleert. Maar de simulatie houdt niet lang stand, al snel stort het beeld letterlijk in en blijft er alleen maar een vormeloos hoopje vlees over. Ook de zintuiglijke ervaring van de geur of later in het proces de stank  ondermijnen een paradijselijke ervaring. In een wereld die met schijn speelt, worden onze zinnen op scherp gezet en de stank van rottend vlees is zo indringend dat ze onmogelijk de formele schijn van speelgoedbeertje kan handhaven. Mooibroek verstoort in haar werk de geaccepteerde werking van de simulacra's en schijnwerkelijkheden uit onze consumptie maatschappij op een radicale wijze.

   

In het werk 'Bloemen, kippen en poten' wordt ons een samenkomst van leven en dood getoond. Gladiolen, dode kippen naakt en geplukt  op een 'mooie' manier gerangschikt en geëtaleerd voor het oog van de camera. In dit  fotowerk zien we een duidelijke verwijzing naar de vanitas symboliek uit de zeventiende eeuwse schilderskunst waarin doodshoofden, zandlopers en verwelkte bloemen verwijzen naar onze vergankelijkheid. Toch is dit werk meer dan alleen maar een knipoog naar de vanitas symboliek. Hier in dit stilleven (als foto) wordt de romantische natuur als een advertentie voor de consumptiewaar weergegeven.

          

Ook in andere meer recente werken wordt met vlees als materiaal gewerkt. In de installatie 'Cold cuts carpets' uit 2008 en de fotowerken 'Jagers op weg naar huis 1 en 2' (1998) wordt er vlees gebruikt. Er is ook in al deze werken sprake van een vreemde unheimische samenkomst van werelden. Lautréamonts omschrijving van een surreële schoonheid als ‘de toevallige samenkomst van een paraplu en een naaimachine op een operatietafel’ is hier van toepassing. In de werken van Mooibroek gaat het om een onverwacht en vreemd samenkomen van dat wat ons vertrouwd is, maar deze coïncidentie is niet toevallig, maar is juist geënsceneerd. Deze vreemde ontmoetingen van gewone alledaagse zaken tonen ons hun ongewone en duistere kanten. De  speelgoed jagers met geweren in een gehakt landschap is zo'n unheimische ontmoeting. Deze geënsceneerde ontmoeting creëert een surreële verwarring over wat we goed of slecht, onschuldig of schuldig, mooi of lelijk vinden.

           

In bijna alle werken van Mooibroek wordt vaak zowel letterlijk als figuurlijk geappelleerd aan de goede of slechte smaak. De smaak komt op een letterlijke manier in onze mond tot stand. Het primaire oordeel van wat goed, slecht en mooi of lelijk is  vindt in de mond plaats. Het  lijfelijke of mentale voedsel dat  we consumeren en niet  verdragen is een terugkerend aspect  in het werk van Mooibroek. We  verdragen het niet, het is afstotelijk en we walgen ervan. Het is een botsing  tussen, dat wat we genieten en dat wat elk genot onmogelijk maakt, datgene dat we letterlijk afstoten en niet tot ons kunnen nemen, niet kunnen genieten en het liefst ook niet zien.

Kijkend naar een aantal schilderijen zie ik op een subtiele wijze dezelfde botsing plaats vinden, maar op een of andere wijze dringt  dit veel langzamer en in eerste instantie minder heftig tot je door.

Ik zie op een witte of lichte achtergrond een hoopje vlinders. Zijn ze dood? Ik denk het wel.

Maar ze verdwijnen onder een kliederige  verfmassa.  Ze worden tot materie of zijn het gevallen herfstblaadjes? We zien de vlinders perfect en met een fijne penseel geschilderd, levensecht in hun laatste doodsstrijd zoals  je  ze soms op de keukentafel ziet vallen, maar nooit zijn dat er zoveel als we hier op een hoop geveegd zien. De vlinder is een clichésymbool voor vergankelijkheid, maar in deze reeks ‘vlinderschilderijen’ wordt  vergankelijkheid  op een onverwachte wijze gekoppeld aan de verf als kliederige of druipende materie. We ontwaren pas in tweede instantie een ander, interessant en subtiel perspectief op de schilderkunst. De bijbelse zinsnede "alles is  stof en zal tot stof wederkeren" wordt hier picturaal ingezet en geeft ook commentaar op het onderscheid  fijnschilderkunst en materieschilderkunst. Hoe illusionistisch echt een vlinder ook geschilderd wordt ze is gemaakt uit de materie verf.

Terugkomend op mijn eerste ervaring in het atelier van Mooibroek, je weet niet wat je ziet !

Het werk van Mooibroek, noopt steeds tot een visuele reflectie over onze waarneming, over de zintuigen die met en tegen elkaar werken en over de schijn en de werkelijkheid van onze beelden.

 

Riet Schennink is filosoof en woont en werkt in Amsterdam.

December 2012

>>> TEXT